Zoals de huizen op de zon schijnen.
Ik keek omlaag naar de witte lucht, waar blauwe wolken dreven alsof ze het elke dag deden. Daar vlogen mijn vrienden, lachend en schreeuwend. Ik zette een stap naar achter en mijn voeten keken om mij heen; niets te zien. Het tegenlicht scheen achter me, de bank plofte op me neer. Ik pakte de televisie en zette de afstandsbediening aan; niets te zien. De klok keek op mij, het was twaalf over acht. Ik besefte me dat ik moest gaan, ik kom nooit te laat. Nadat mijn schoenen mij aanschoten en mijn jas me aantrok, snelde ik het raam uit. Grote stappen over de bladeren, die langzaam omhoog dwarrelden. Het werd zomer. De tram sprong op me, en ik reed weg. Telkens stapte er een nieuwe halte in. Ik rende langs de brug, die dicht was. Wachten, tot hij open ging. De stoplichten stonden veel te lang op groen, wachten, wachten. Snel ging ik door. Toen ik aankwam, klopte jij op de deur en ik deed open. "Kom binnen", zei ik, en stapte het lokaal in. "Geen seconde te laat" zei jij, en dus ging ik naast de andere secondes op de grond zitten.
No comments:
Post a Comment