Wednesday, June 22, 2011

Troostweer

De wind fluisterde me alles in, ik lachte hardop
Alsof de wolken wilden zeggen 'het maakt niet uit, komt wel goed', alsof ik daar kon blijven. Wollig, grijs, met je voeten op de bank. Alles was volmaakt en zacht, de zonnestralen boorden gaten in die wattige wereld. Alsof de wind me omhelsde, alsof de zon naar me lachte. De wind vertelde me eindeloze verhalen, de regen tikte me wakker. Troosteloos, tegen het raam, ging mijn hoofd. Ik wist niet meer, wat ik weten moest. Waar ik het zoeken moest. De regen tikte mij alles voor, alsof de muziek al geschreven was voor ik bestond. Het was mooi, het pakte me. Het liet me niet meer los, dat troostweer.

Het perron

Ze lopen in de richting van het perron. Hun blikken dwalen onrustig langs bomen en daken, hun handen glijden in en uit jaszakken. Wanneer ze blijven staan, kruipen de centimeters een voor een tussen hen in. Zij kijkt op haar horloge, hij zoekt de trein die nog minstens acht minuten niet zal komen.

Seconden tikken weg. Elk om beurt openen ze hun mond, om hem vervolgens weer te sluiten. Hij kijkt naar haar terwijl zij aan de horizon naar woorden zoekt, haar ogen glijden langs zijn gezicht wanneer hij de tegels bestudeert. De woorden blijven uit.

Uiteindelijk maakt hij een grapje. Het ijs vertoont barsten, maar breekt niet. De spanning blijft ijzig in de lucht hangen. Hun monden lachen, maar hun ogen staan dof. Opnieuw wordt het stil.

Wanneer de trein het station binnenrijdt, komt de paniek. Haar ogen sperren zich open, zijn handen klampen zich vast. Te weinig tijd, te veel te zeggen. Ogen vullen zich met tranen, handen blijven krampachtig mouwen vasthouden. Hoofden worden geschud, troost wordt weggewuifd. Hij stapt op en rijdt het station uit, zij loopt langzaam weg. Het verdriet laat zijn voetafdrukken na op de tegels

Omdraaien

Zoals de huizen op de zon schijnen.

Ik keek omlaag naar de witte lucht, waar blauwe wolken dreven alsof ze het elke dag deden. Daar vlogen mijn vrienden, lachend en schreeuwend. Ik zette een stap naar achter en mijn voeten keken om mij heen; niets te zien. Het tegenlicht scheen achter me, de bank plofte op me neer. Ik pakte de televisie en zette de afstandsbediening aan; niets te zien. De klok keek op mij, het was twaalf over acht. Ik besefte me dat ik moest gaan, ik kom nooit te laat. Nadat mijn schoenen mij aanschoten en mijn jas me aantrok, snelde ik het raam uit. Grote stappen over de bladeren, die langzaam omhoog dwarrelden. Het werd zomer. De tram sprong op me, en ik reed weg. Telkens stapte er een nieuwe halte in. Ik rende langs de brug, die dicht was. Wachten, tot hij open ging. De stoplichten stonden veel te lang op groen, wachten, wachten. Snel ging ik door. Toen ik aankwam, klopte jij op de deur en ik deed open. "Kom binnen", zei ik, en stapte het lokaal in. "Geen seconde te laat" zei jij, en dus ging ik naast de andere secondes op de grond zitten.